KAMAGURKA exposeert tot 14 april in galerij De Zwarte Panter

Het Ei (column – leestijd 2 minuten)

Ik sta in de Nationalestraat te wachten voor het stoplicht aan het Tropisch instituut dat, net zoals aan het kruispunt aan de Kammenstraat, een eeuwigheid duurt. Een man naast me kijkt me aan met een blik die duidelijk maakt dat hij zich ook staat te ergeren. En z’n ergernis wil delen. Gedeelde smart, weetjewel. Ik voel dat ik moet reageren en flap eruit: “Alles kan allemaal nog veel erger.” Hij schokt z’n schouders naar omhoog en priemt met een wijsvinger triomfantelijk tegen mijn schouder: “Joop Visser, vorig jaar, in de coStA! Da’s van hem!” zegt hij triomfantelijk.

Ik: “Was je daar ook?” 

Hij: “Jazeker, het was een godsgeschenk dat hij na zoveel jaren hier in het coStA, hier in onze wijk, is komen optreden. De hele fine fleur van het Vlaamse luisterlied was aanwezig.”

Ik had duidelijk een zielsverwant gevonden en het schoot me weer allemaal te binnen. Het moet 45 jaar geleden zijn, dat ik hem, toen nog Jaap Fischer, voor het eerst hoorde, op een 33 toerenplaat. En ik ben nu niet iemand die flarden van gedichten in mijn geheugen meedraagt om er af en toe troost of herkenning in te vinden. Maar zijn tekst van Het Ei staat er in gegrifd.

“Ja, Het Ei!” zegt de man terwijl het stoplicht voor een tweede keer op rood springt. 

En ik val hem triomfantelijk bij: “Ik kocht een ei. De melkboer zei: ’t komt net onder de kip vandaan. Hier hebt u een jong leven voor 16 cent of meer. En namens de ouders smakelijk eten, mijnheer.”

Het vervolg kan ik me niet meer letterlijk herinneren, maar Youtube brengt nadien thuis de oplossing. Zo gaat het verder: “Het lag nog warm te leven in m’n hand. Ik mikte zorgvuldig op de harde hete rand van de pan en ik kon de geur al ruiken van dit al te vroeg geremde kuiken. Toen het ei zei: Denk eens dat het een jongetje is dat je gaat staan bakken, denk eens dat het je broertje is dat zacht sist in de pan. En dat ie uit angst de rand van de pan probeert te pakken.”

Ik was eigenlijk op weg naar de slager. Maar toen dit veel te vroeg geschreven volkslied aller veganisten ter wereld me weer voor de geest kwam, stapte ik maar naar de Verlatstraat om in de biologische winkel The Barn groenten te halen voor een groentecurry. Zo steun ik meteen ook de lokale boeren. En wanneer sommigen denken dat de door pesticiden verpestte troep die de halve wereld al heeft afgevlogen goedkoper is, maar ik betwijfel het, denk ik: het eeuwig leven, dat mag wat kosten. (Guido Sanders)

Meer columns vind je hier.

Na 40 jaar een zanger ontmoeten waarvan een lied al die tijd in m’n geheugen is blijven hangen, da’s wel apart.
Als een puberende bakvis stond ik na afloop van het concert in het foyer van het coStA te drentelen voor een selfie.
En het lukte, inclusief Jessica van Noord en de vieze slagschaduwen op m’n gezicht.